Klein Verleden

Genealogie en verhalen uit de Fries-Groningse klei

Aantekeningen


Treffers 451 t/m 491 van 491

      «Vorige «1 ... 6 7 8 9 10

 #   Aantekeningen   Verbonden met 
451 Uitspraak 3 juni: een(?) maand gevangenisstraf van der Kooi, Harmen (I1357)
 
452 Uitspraak 30 maart 1878: 15 dagen celstraf. Boete fl.8,- [woord?] 1 dag celstraf [inkorten?] Haima, Lourens Piebes (I129)
 
453 Uitspraak 6 mei: 2 maand iets. Opnieuw behandeld in juni. Uitspraak: 2x 14 dagen iets. Maar of dat dan ook voor Harmen gold is onduidelijk.

Gedaagden:
Klaas Scheepstra, leeftijd 27 jaar
Marten Woudwijk, leeftijd 45 jaar
Gerben Wagenaar, leeftijd 25 jaar,
Bote Wagenaar, leeftijd 28 jaar
Eye Teerstra, leeftijd 32 jaar
Harmen van der Kooi, leeftijd 25 jaar
Sjouke Douma, leeftijd 24 jaar
Anne Dijkstra, leeftijd 43 jaar
Anne Coree, leeftijd 37 jaar
Freerk Postma, leeftijd 45 jaar
Allen arbeiders te Anjum 
van der Kooi, Harmen (I1357)
 
454 UK Census 1911
NameAlfred E Thurley
SexMale
Age34
Event Date1911
Event PlacePeckham, London, England, United Kingdom
Event Place (Original)Camberwell, Peckham, London, England
Sub-DistrictPeckham North
Sub-District Number5
Enumeration District23
Registration DistrictCamberwell
District Number27
Birth Year (Estimated)1877
BirthplaceLondon Bermondsey, London
Marital StatusWidowed
OccupationBALCKSMITH STRIKER
Number in Family10
Relationship to Head of HouseholdSon
Event TypeCensus 
Thurley, Alfred Ernest (I2967)
 
455 until 13 November 2000 Groen, Owen Donald (I329)
 
456 Vander Weele-Vander Kolk.
The marriage of Miss Katie Cornelia Vander Weele, daughter of Mrs. G. Vander Weele to Micheal Vander Kolk of this city will be celebrated this evening at eight o'clock at the home of the bride's mother In Mable
street.
.../...
Following the ceremony a wedding luncheon will be served by the following friends of the bride: the
Misses Jennie Mulder, Sinnie Ver Mullen and Helen and Anna Vander Kolk. 
Mulder, Jennie (I717)
 
457 Vander Weele, Mrs. Tessie C. "Ty"
Kalamazoo MI

Died Thursday afternoon, December 19, 1996. Mrs. VanderWeele was bron May 10, 1916 in Kalamazoo, MI, the daughter of Jacob and Effie (Mulder) Potts, and was a life resident of this community. She was an active member of the Third Reformed Church. For 10 years she was employed at the Northwood Public School as a bus driver. Ty loved to bowl. She was preceded in death by her husband, John VanderWeele on September 8, 1982; a great-granddaughter Emily Jo Renema on July 25, 1991 and by 2 brothers, Claus and Bernard Potts. Surviving are a daughter and a son and spouses, Joyce and James Heystek of Kalamazoo, Bernard and Judy VanderWeele of Las Vegas, NV; 4 grandchildren and spouses, Susan and Douglas Renema of Kalamazoo, Ronald and Debra Heystek of Parchment, Douglas VanderWeele and his fiancee, Christy Crawford, both of Shreveport, LA, and Marc VanderWeele of Troy, IL; 5 great-grandchildren, Caitlin, Rebecca and Michael Renema, Travis and James Heystek, a sister Clara Buytendorp of Kalamazoo, several nieces and nephews. Services for Mrs. VanderWeele will be held Saturday morning at 11 o'clock from Third Reformed Church. 
Potts, Tessie Clara (I1241)
 
458 Vanuit overlijdensbewijs van vader weten we dat die bij zijn sterven 5 kinderen naliet. Er zijn er zes gedoopt.
Dat betekent dat een van moet zijn gestoverven voor vader overleed. Er is een begraafbewijs van een Jan Harms in de goede regio (Slochteren) en de goede periode (1803).
DIt lijkt me concreet genoeg om dit hier als waar aan te nemen. Met deze notitie erbij. 
Mulder, Jan Harms (I2256)
 
459 Velleblootersknecht Mulder, Harm Hindriks (I1546)
 
460 Verkoper
Jelle Wytzes Sytsma, wonende te Oostmahorn 
Sytsma, Jelle Wytzes (I1676)
 
461 Vermoedelijke hem:
https://allefriezen.nl/zoeken/deeds/9da54fe0-5261-47f1-866a-dfcad9759cee?person=7d49a5ab-f019-40d8-8f02-5cca105a189f

Rol van strafzaken
Bron: Rolboeken arr. rechtbankenSoort registratie: Rolboeken arr. rechtbanken inschrijving(Akte)datum: 20-03-1928Plaats: Leeuwarden
Gedaagde
Anne Haaima (landarbeider) leeftijd 21 jaar, wonende te Dokkum
Gedaagde
Haye Haaima (landarbeider) leeftijd 17 jaar, wonende te Dokkum
Gedaagde
Sytze Haaima leeftijd 14 jaar, wonende te Dokkum 
Haaima, Sijtse (I1747)
 
462 Vertrokken uit Sint Annaparochie Groen, Pieter Gerrits (I1300)
 
463 Vertrokken uit Sint Jacobiparochie Groen, Pieter Gerrits (I1300)
 
464 Vertrokken uit Sint Jacobiparochie.
Vertrek, vervolgens, op 17-4-1869 voor Amerika volgens het register. Echter is er geen record van emigratie. Ook in Drenthe niets te vinden. 
Groen, Pieter Gerrits (I1300)
 
465 Vertrokken uit Vrouwenparochie Groen, Pieter Gerrits (I1300)
 
466 Vertrokken vanuit Sint Annaparochie Groen, Pieter Gerrits (I1300)
 
467 Volgens doopakte dochter overleden in de kraam Simens, Hillegijn (I2634)
 
468 Volle neef en nicht, de beide vaders zijn broers Gezin: Johannes de Graaf / Klazina de Graaf (F885)
 
469 Voorkind, erkend tijdens huwelijk ouders de Graaf, Anno (I1459)
 
470 Vopiscus Horatius Acker
Gedoopt Leeuwarden (Westerkerk) 21 mei 1751, dichter, rector Latijnse school Hattem, overleden Heerde 6 februari 1831.
Hij trouwde Herbaijum 19 februari 1786 met Hyke Rintjes van Pettinga, gedoopt Groningen 15 december 1764, overleden Hattem 16 juli 1832. 
Acker, Vopiscus Horatius (I2123)
 
471 WAR1898GE0001

Erkend door Jan de Graaf bij zijn huwelijk met Anje. 
de Graaf, Anno (I1459)
 
472 WAR1904GE0026 de Graaf, Wolter (I2389)
 
473 WAR1914GE0017 de Graaf, Wolter (I2313)
 
474 WAR1944OV0016 de Graaf, Wolter Lubertus (I2436)
 
475 WARR1908GE0022 de Graaf, Klaas (I2390)
 
476 WARR1909OV0006 de Graaf, Klaas (I2390)
 
477 WARR1910GE0016 de Graaf, Klasina (I2391)
 
478 WARR1912GE0016 de Graaf, Reina (I2392)
 
479 WARR1960OV0006 de Graaf, Lubertus (I2322)
 
480 Wegens klachten over de slechte handel en scheepvaart werd door de Staten overwogen of de z.g. havenpachten zouden kunnen worden afgeschaft. In plaats daarvan zou een jaarlijkse quotisatie op de huisgezinnen geheven worden. Om de opbrengst van deze quotisatie vooraf te kunnen beoordelen, werden ingevolge resolutie van 13 maart 1744 alle grietenijen en steden aangeschreven staten in te zenden. De Omschrijvinge van familin is mager aan gegevens, maar is wel compleet bewaard gebleven. Volgens deze bron telde Friesland destijds (zonder de eilanden) 135.133 inwoners. In de lijsten staan de namen der gezinshoofden, de gezinsgrootte (niet gespecificeerd) en het aangeboden bedrag. Mensen die niets aanboden werden onderscheiden in drie categorien: vermogend (wel in staat, maar onwillig), insolvent (niet in staat) respectievelijk gealimenteerd (bedeeld, armlastig). Bron (S290)
 
481 Wettiging 1 kind Gezin: Jacob Bottema / Jantje Lietmeijer (F351)
 
482 Wettiging 1 kind bij huwelijk Gezin: Jurjen Westra / Sjoerdtje Haaima (F681)
 
483 Wettiging van één kind bij huwelijk. Gezin: Jan de Graaf / Frouwke de Vries (F309)
 
484 WIIH A PIICHFORK
Albert Hassing Claimed to Have Assaulted Opponent.
Albert Hassing is on trial this afternoon in the recorder's court for beating Garrett Mulder over the head with a pitchfork on March 19. According to Mulder the two men met In north Edwards street and had a war of words, which resulted in Hassing hitting Mulder over the head. Both men, who are Hollanders, had quarreled over some fertilizer which the city scavenger had for sale. They wanted to enrich their
matter is before a jury and a verdict blow was struck in self defense.
The mater is before a jury and a verdict is expected this afternoon. 
Mulder, Germt (I706)
 
485 Wikipedia
Hoogleraar geneeskunde. Hij wordt soms verward met zijn bijna-naamgenoot Sibrandus Ezn. Stratingh (1785-1841), hoogleraar scheikunde en uitvinder.

Sibrandus Elzoo Stratingh was de zoon van Sibrandus Stratingh, hoogleraar natuur- en scheikunde, en Elsina Groenevelt Sibrandus jr. studeerde medicijnen in Groningen en promoveerde in 1798 op de dissertatie De ophthalmia neonatorum. Al snel begon hij een praktijk als behandelend arts. Van 1815 tot 1844 was Stratingh hoogleraar in o.a. pathologie. In zijn loopbaan was hij verder werkzaam in toezichtcommissies. In 1831 werd hij lid van een landelijke commissie ter bestrijding van de cholera in Nederland.

Stratingh was zijn hele leven meer een praktiserend medicus dan een spreker of een schrijver. Behalve zijn proefschrift publiceerde hij nauwelijks iets. Als spreker moet hij ook geen succes zijn geweest: zelfs de gebruikelijke oratie bij zijn afscheid als rector van de Groningse universiteit in 1827 werd door een plaatsvervanger (Gabinus de Wal) geschreven en uitgesproken.

Textsoure: https://nl.wikipedia.org/wiki/Sibrandus_Elzoo_Stratingh (9-5-2019)


Van der Aa: Bibliografisch Woordenboek
STRATINGH (Sibrandus Elzoo), zoon van Sebaldus Stratingh, apotheker te Groningen en Elzena Groeneveld Bos, werd in 1774 geboren, studeerde te Groningen, werd in 1804 medicus academicus en in 1813 zijn leermeester Thuessink als professor vicarius toegevoegd. Na de herstelling onzes vaderlands, benoemde hem de souvereine vorst, 5 October 1814, tot buitengewoon hoogleeraar in de geneeskunde, en een jaar later werd hij tot gewoon hoogleeraar bevorderd. Ongeveer 25 jaren was hij bij opklimming lid, secretaris en eindelijk president van de commissie van Geneeskundig toevoorzigt; in 1828 maakte hij een deel uit der staatscommissie te 's Hertogenbosch, tot herziening der geneeskundige wetten, gehouden in 1831, van de commissie, te 's Hage, om middelen tot het tegengaan van de cholera vergaderd. De koning erkende zijne verdiensten door hem tot ridder van den Nederl. Leeuw te benoemen. Hij werd in 1844 emeritus en den 16 Junij 1846 overleed hij.

Zie Algem. Konst- en Letterb., 1846, D. II. bl. 2, 3; Gedenkb. d. Gron. Hooges., bl. 120, 121.

Textsource: http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/vdaa/#source=aa__001biog21_01.xml&page=402&view=imagePane (9-5-2019)


Nieuw Nederlands Bibliografisch Woordenboek
STRATINGH (Sibrandus Elzoo), geb. in 1774 te Groningen, overl. 16 Juni 1846 aldaar, was de zoon van Sibrandus Stratingh, hoogleeraar in de schei- en natuurkunde, en Elzena Groeneveld Bos. Hij studeerde in zijn geboorteplaats in de geneeskunde en promoveerde in 1798 op eene dissertatie De asphyxia neonatorum. Gevestigd te Groningen kreeg hij eene drukke praktijk en begon in 1804 zijne openbare loopbaan als medicus academicus, belast met de behandeling der pati in het Nosocomium, en op 30 Mrt. 1813 werd hij benoemd tot professor vicarius en toegevoegd aan den hoogleeraar Thomassen a Thuessink, 15 Apr. d.a.v. werd hij als zoodanig geinstalleerd. 5 Oct. 1814 volgde zijne benoemingtot buitengewoon en 16 Oct. 1915 tot gewoon hoog, leeraar om onderwijs te geven in de pathologie therapie, materies medica en de kliniek in het ziekenhuis. Bij geen dezer gelegenheden hield hij eene redevoering en evenmin in 1827 toen hij aftrad als rector magnificus; eene ongesteldheid verhinderde hem aan die verplichting te voldoen. Gedurende 25 jaar was hij werkzaam in de provinciale commissie voor geneesk. onderzoek en toevoorzicht, successievelijk als gewoon lid, secretaris en voorzitter. Het Groningsch genootschap tot bevordering der natuurkundige wetenschappen telde hem onder zijn leden. In 1828 werd hij benoemd tot lid van de Staatscommissie te 's Hertogenbosch, belast met de herziening der geneeskundige wetten, en in 1831 tot lid van de commissie voor bestrijding van de cholera, die te 's Gravenhage zitting hield. In 1844 kreeg hij zijn emeritaat bij het bereiken van den 70-jarigen leeftijd.

Een enkel geschrift verscheen er van hem t.w. Groningen als woonplaats beschouwd. Eene bijdrage tot de geneeskundige beschrijving van deze stad. (Gron. 1858); Bijdrage tot de statistiek der sterfte in de stad Groningen (Gron. 1858).

Zie over hem: Alg. Konst- en Letterbode 1846, II, 2.

Simon Thomas

Textsource: http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/#source=4&page=648&accessor=accessor_index&view=imagePane&size=1219 (9-5-2019) 
Stratingh, Sibrandus Elzoo (I2358)
 
486 Wikipedia
Hoogleraar scheikunde en uitvinder.

Stratingh werd geboren in het Groningse Adorp, waar zijn vader Everhardus Stratingh predikant was. Hij groeide echter op bij zijn oom Laurens Stratingh die apotheker in Groningen was en ging hier naar de Latijnse school. Op 13-jarige leeftijd begon hij met studeren op de Groningse universiteit, destijds Academie geheten. In 1801 richtte hij samen met zijn vriend Theodorus van Swinderen het ter bevordering der natuurkundige wetenschappen te Groningen op. Uiteindelijk werd hij in 1824 hoogleraar (algemene, toegepaste en farmaceutische) scheikunde aan de Rijksuniversiteit van Groningen.

In zijn leven heeft hij een aantal uitvindingen gedaan, onder andere met voortbeweging. Waarschijnlijk was Stratingh de eerste die in Nederland een voertuig met een motor (stoom in dit geval) bestuurde. Dit gebeurde al op 22 maart 1834, toen hij en zijn assistent, de Duitse instrumentmaker Christopher Becker de eerste "autorit" door de straten van Groningen maakten. Op 3 november 1835 maakte hij een tweede rit, van Groningen naar De Punt (een afstand van zo'n 20 kilometer). Kennelijk verliep de tocht zonder problemen. Een aantal nieuwsberichten getuigen van deze avonturen. Stratingh kreeg van de toenmalige koning Willem I een aanmoedigingspremie van 600 gulden. De koning wenste op de hoogte gehouden te worden van de uitvindingen van Stratingh en bracht hem in 1837 een bezoek.

Later zou Stratingh ook een elektrovoertuigje bouwen, dat bewaard is gebleven. Waarschijnlijk is dit het eerste elektrisch aangedreven voertuig ter wereld. Stratingh stierf plots op 56-jarige leeftijd.

Sibrandus Stratingh was een oom van Gozewinus Acker Stratingh. Hij trouwde op 11 juli 1832 te Groningen met Rika van Eerde, dochter van de hoogleraar Jan Rudolf van Eerde.

Werken
Specimen medicum inaugurale, exhibens observationem de haematemesi (Groningen 1809).
Scheikundige verhandeling over eenige verbindingen van den phosphorus: voorgelezen in het natuur- en scheikundig genootschap (Groningen 1809).
Scheikundig handboek voor essayeurs, goud- en zilversmeden (Groningen 1821).
Chemisches Handbuch f Probirer, Gold- und Silberarbeiter (vert. in het Duits: J.H. Schultes; Augsburg 1823).
Scheikundige verhandeling over de cinchonine en quinine, bevattende eene opgaaf van derzelver verschillende bereidingen, eigenschappen, verbindinge en geneeskundige vermogens (Groningen 1822).
Scheikundige verhandeling over de morphine, en andere hoofdbestanddeelen des opiums, bevattende eene opgaaf van derzelver geschiedenis, verschillende bereidingen, eigenschappen, verbindingen en geneeskundige vermogens, in verband met de bereidingen en eigenschappen der inlandsche opium-soorten (Groningen 1823).
Redevoering ter plegtige nagedachtenis van wijlen den hoogleraar J.A. Uilkens (Groningen 1825).
De chlorineverbindingen, beschouwd in hare scheikundige, fabrijkmatige, genees- en huishoudkundige betrekkingen (Groningen 1827).
die Bereitung die Verbindungen und die Anwendung des Chlors in chemischer, medicinischer, und technischer hinsicht (vertaling in het Duits: C.J. Kaiser; Ilmenau 1829).
Beknopt overzicht over de leer der stochiometrie, dienstbaar gemaakt ter verklaring en aanwending van stochiometrische beweegbare cirkels (Groningen 1827).
Sibrandi Stratingh Oratio de chemiae recentioris incrementis atque praestantia (inaugurele rede; Groningen 1825)
Sibrandi Stratingh Oratio de continua et admiranda rerum metamorphosi chemica (rectorale rede; Groningen 1832).
Verzameling van eenige losse stukken, uitgegeven of in verschillende maandwerken meegedeeld (2 dln.; 1806-1839).

Textsource: https://nl.wikipedia.org/wiki/Sibrandus_Stratingh (9-5-2019)


RIjksuniversiteit Groningen
Sibrandus Stratingh werd in 1785 geboren in Adorp, waar zijn vader predikant was. Hij groeide echter op bij zijn oom die apotheker in Groningen was en ging daar naar de Latijnse school.

Hij was nog geen veertien jaar oud toen hij ging studeren aan de Academie te Groningen. Hij volgde er colleges met de bedoeling dat hij later zijn oom als apotheker zou opvolgen. Aangezien hij ook grote belangstelling had voor andere wetenschappen, zoals scheikunde en natuurkunde, volgde hij ook bij andere hoogleraren college.

In 1801 richtte hij samen met zijn vriend Theodorus Van Swinderen het 'Genootschap ter bevordering der natuurkundige wetenschappen te Groningen' op en in 1824 werd hij benoemd tot hoogleraar in de algemene, toegepaste en pharmaceutische scheikunde.

Tijdens zijn hoogleraarschap heeft Stratingh baanbrekend werk verricht op het gebied van de voortbeweging. Zo experimenteerde hij met een eigen ontworpen stoomrijtuig, waarmee hij een proefrit maakte door de straten van Groningen. In de Provinciale Groninger Courant van 25 maart 1834 stond te lezen:

Heden 22 maart in den vroegen morgen is de eerste voorlopige proefvaart genomen met een door de Heeren Stratingh en Becker ondernomen en vervaardigd stoomrijtuig, hetwelk eenen tocht door de stad over hellende en dalende straten en over bogen heeft afgelegd, welke tocht met zulk eenen aanvankelijk goeden uitslag is bekroond geworden, dat men zich vleit, dat, bij verder afwerking en voleindiging van dit werktuig, zoodanig rijtuig niet alleen bruikbaar zal zijn over nieuwe steen- en rotswegen, maar ook zelfs den stoot er meer oneffene keisteenwegen zal kunnen verduren[...]

Zelfs Koning Willem I toonde zich geinteresseerd en wilde op de hoogte gehouden worden van de Stratingh's experimenten. Stratingh stuurde hem daarom uitgebreide rapporten over zijn bevindingen met het stoomrijtuig.

In 1837 bracht Willem I tijdens een tweedaags verblijf in Groningen een bezoek aan Stratingh's laboratorium achter diens huis aan de Ossemarkt 5.

Elektromagnetisch wagentje
Naast stoomvoertuigen hield Stratingh zich ook intensief bezig met elektromagnetisme. Voortbouwend op de natuurkundige principes van de Engelsman Michael Faraday construeerde Stratingh samen met zijn instrumentmaker Becker een elektromagnetisch wagentje, dat als voorloper van de elektrische auto kan worden beschouwd.

Stratingh heeft zijn proeven met elektromagnetische voertuigen helaas niet voort kunnen zetten, want op 15 februari 1841 stierf hij. De Groninger universiteit was met zijn overlijden een belangrijk geleerde kwijtgeraakt, die zowel nationaal als internationaal bekendheid genoot.

Textsource: https://www.rug.nl/society-business/university-museum/prominent-professors/stratingh (9-5-2019)


Van der Aa: Biografisch Woordenboek
STRATINGH (Sebaldus), de tweede der 13 kinderen van Ev. Stratingh pred. te Adorp en Margaretha Cleveringa, werd reeds als knaap aan de zorg van zijn oom, den apotheker L. Stratingh te Groningen, toevertrouwd. Hij bezocht aldaar de Latijnsche school van 1792-1798, beoefende nog 5 jaar, ten huize van zijn oom, het vak van apotheker uit, en nam intusschen de collegi over de pharmacie van den hoogleeraar Driessen waar. In 1801 begon hij zijn akademischen loopbaan en erlangde in 1809 den doctoralen graad, na de verdediging eener Dissertatio exhibens observationes de Haematemisi. Een jaar te voren was hij, na afgelegd examen, als buitengewoon bekwaam tot apotheker bevorderd. Wegens zijne scheikundige bekwaamheden stelde het Fransche bestuur hem tot essayeur aan bij het bureau van waarborg te Groningen, welke post hij tot 1829 met eere bekleedde. Zijn naam als uitstekend chemicus was reeds gevestigd door een groot aantal verhandelingen over onderwerpen dit vak betreffende, toen aan zijne verdiensten eene regtmatige hulde werd gebragt door zijne bevordering tot math. mag. et philos. nat. doctor honoris-causa, vervolgens door de benoeming van hoogleeraar in de scheikunde ter zijner woonplaatse, welk ambt hij den 14 Januarij 1824 aanvaardde met eene oratie de Chemiae recentioris elementis et praestantia. Bij de overdragt van het in 1831-32 door hem bekleede rectoraat sprak hij de continua et admiranda rerum metamorphosi chemica. Tallooze verhandelingen in tijdschriften, door Holtrop vermeld, opgenomen, zoowel als eenige afzonderlijke werken, verbreidden zijn roem met iederen dag meer en meer, zoo in het buiten- als binnenland. Ongeveer 20 geleerde genootschappen vereerden hem het lidmaatschap, de koning schonk hem het ridderkruis van den Nederlandschen Leeuw en gaf hem in 1837 een persoonlijk bezoek in zijn chemisch laboratorium. Hij overleed den 15 Februarij 1841. Hij huwde 1 Geertje Glazonius 2 R. van Eerde. Beide huwelijken werden met kinderen gezegend.

Behalve een groote menigte verhandelingen en andere stukken in verschillende tijdschriften, alle door Holtrop vermeld gaf hij in het licht:
Scheikundige verhandeling over eenige verbinding van den Phosphorus. Gron. 1809.
Alexander te Groningen. Ald. 1819.
Scheikundig handboek voor Essayeurs, Goud- en Zilversmeden. Ald. 1821, ook in het Hgd. vert.
Scheikundige verhandeling over de Cinchonine en Quinine. Ald. 1823.
Scheikundige verhandeling over de Morphine en andere hoofdbestanddeelen der opiums. Ald. 1823.
Beknopt overzicht over de leer der Stochiometrie. Gron. 1827.
De Chlorine verbindingen beschouwd in hare scheikundige fabrykmatige genees- en huishoudkundige betrekkingen; beide in het Hgd. vert.

Zie De nagedachtenis van S. Stratingh Ezn., gevierd in het Genoots. ter bevordering der Natuurk. Wetens.; Gedenkb. van Groningen, bl. 136, 137.
Zie Konst. en Letterb. 1840, I. 131; Holtrop, Bibl. med. et Chir.; Nieuwenhuis; Verwoert; Kobus en de Rivecourt.

Textsource: http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/vdaa/#source=aa__001biog21_01.xml&page=402&view=imagePane (9-5-2019) 
Stratingh, Sibrandus (I830)
 
487 Wikipedia:
Medicus en historicus, lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

Hij was de zoon van ds. Everardus Stratingh en Margien Cleveringa. Zijn oom was prof. dr. Sibrandus Stratingh (1785-1841), hoogleraar scheikunde in Groningen.

In 1820 begon Stratingh met zijn studie geneeskunde aan de Hogeschool te Groningen, waarin hij in 1828 promoveerde tot doctor. Hij was daarna werkzaam in zijn praktijk. In 1829 trouwde hij met Katharina Johanna Pelinck, dochter van de Scheemder predikant ds. J. Pelinck.

In zijn vrije tijd bestudeerde Stratingh de geologie, geografie en taal-en oudheidkunde van de provincie Groningen; hij publiceerde daarover en bewerkte onder meer de geschied-, aardrijks- en natuurkundige beschrijving van de Dollard en gaf deze in 1855 uit. Dit boek geldt nog steeds als het grote standaardwerk over de geschiedenis van de Dollard en werd in 1979 nogmaals herdrukt. Naast diverse historische en natuurhistorische werken heeft Stratingh verscheidene historische kaarten gemaakt.

In 1850 werd Acker Stratingh tot Matheseos Magister et Philosophiae Naturalis aan de Groningse Hogeschool benoemd en tot lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen gekozen. Hij publiceerde hierna nog in de Bijdragen tot de Geschiedenis van de Provincie Groningen (1864-1875, meer dan 50 bijdragen).

Werken:
G.A. Stratingh, Commentatio, an experimenta Daltoni, quae ad aquae evaporationem spectant, nullam admittere possint combinationem chemicam aquam inter et a si illa combinatio locum non habeat, quae ratione atmospherae siccitas et humiditas et universum meteora aquosa ex Daltoni theoria possint explicari (Groningen 1824).
G.A. Stratingh, R. Westerhoff en J. Bosman Tresling, Initia florae Groninganae, of Proeve van eene naamlijst der planten, welke in de provincie Groningen gevonden worden (Groningen 1825).
G.A. Stratingh, Diss. de chinchonino, chinino eorumque salibus, imprimis sulphate chinini, Pharmaceutica ac Therapeutica ratione consideratis (proefschrift; Groningen 1828).
Franz Julius Ferdinand Meyen, Reise um die Erde ausgef auf dem K preussischen Seehandlungs-Schiffe Prinzess Louise (vert.: G.A. Stratingh, Reize om de aarde, gedaan op het Koninklijk Pruisische koopvaardij-schip Prinses Louize, onder de bevelen van kapitein W. Wendt, in de jaren 1803, 1831 en 1832 (2 dln.; Groningen 1838-1840)).
G.A. Stratingh en R. Westerhoff, Natuurlijke historie der provincie Groningen dl. 1 (Groningen 1839).
G.A. Stratingh en J.A. Smit van der Vegt, Beschrijving van de kaart van de provincie Groningen (Groningen 1839).
G.A. Stratingh, Aloude staat en geschiedenis des vaderlands (2 dln.; Groningen 1847).
G.A. Stratingh, 'Over den oorsprong van de munt en het wapen der stad Groningen in: Gruno 5,6 (1849) 85 e.v.
G.A. Stratingh en G.A. Venema, De Dollard. Geschied-, aardrijks- en natturkundige beschrijving van dezen boezem der Eems (Groningen 1855, herdruk 1979).
H.O. Feith en G.A. Stratingh, Aardrijks- en geschiedkundige schets van den toestand der provincie Groningen (Groningen 1865).
G.A. Stratingh, Twee hoofdstukken uit de geschiedenis van ons dijkwezen herzien (Groningen 1866).
H.O. Feith en G.A. Stratingh, Kronijken van Emo en Menko, abten van het klooster te Wittewierum: met het vervolg van een ongenoemde (Groningen 1866).
G.A. Stratingh, Naamlijst van werken over de veenen en het veen of de turf, met een verslag van een paar van de nieuwste en belangrijkste dier werken (z.p., z.j.).

Text Source: https://nl.wikipedia.org/wiki/Gozewinus_Acker_Stratingh (9-5-2019)


Rijksuniversiteit Groningen Universiteitsbibliotheek
Gozewinus Acker Stratingh werd geboren op 25 maart 1804 te Adorp als zoon van Everardus Stratingh, predikant, en Margien Cleveringa. Hij werd vanaf zijn derde jaar opgevoed door zijn oom Sibrandus E. Stratingh, hoogleraar geneeskunde te Groningen. Op 21 augustus 1829 trad hij in het huwelijk met Katharina Johanna Pelinck. Uit dit huwelijk werden een dochter en twee zoons geboren. Acker Stratingh overleed op 22 oktober 1876 in Groningen.

Acker Stratingh begon zijn studie geneeskunde in Groningen op 16-jarige leeftijd. Daarnaast volgde hij, samen met zijn studiegenoot R. Westerhoff, vakken die zijn bijzondere interesse hadden: geologie, oudheidkunde en natuurlijke historie. Hij deed met succes mee aan academische prijsvragen op deze gebieden, getuige twee bekroningen (1822 en 1824). Ook ontving hij van de Commissie van Onderwijs in de Provincie Groningen een ereprijs voor het boekje Natuurlijke historie der provincie Groningen, dat hij samen met Westerhoff schreef.

In 1828 promoveerde Acker Stratingh tot doctor in de geneeskunde. Van 1830-1831 diende hij als officier van gezondheid in het eerste bataljon van de Groningse schutterij. Daarna werkte hij als arts, totdat hij zijn praktijk opgaf om zich geheel te kunnen wijden aan de geschiedenis van Nederland in het algemeen en die van de provincie Groningen in het bijzonder. Een belangrijk overzichtswerk van zijn hand is Aloude staat en geschiedenis des vaderlands (drie dln., Groningen 1847-1852). Mede dankzij dit werk werd Acker Stratingh in 1850 benoemd tot Matheseos Magister et Philosophiae Naturalis Doctor aan de Groninger Hoogeschool. Ook werd hij benoemd tot lid van een aantal letterkundige en wetenschappelijke genootschappen (te Groningen, Utrecht, Leiden, Friesland, Emden en de Koninklijke Academie van Wetenschappen).

Naast zijn werk als arts en wetenschapper vervulde Acker Stratingh andere maatschappelijke taken. Hij was Nederlands Hervormd ouderling en kerkvoogd, lid van de plaatselijke schoolcommissie, lid van het geneeskundig staatstoezicht voor Groningen en Friesland, vrijwillig docent aan de Landhuishoudkundige School in Haren (1842-1865), redacteur van het wetenschappelijk tijdschrift Gruno (1849), mede-oprichter van het tijdschrift Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen (1864-1873) en lid van de commissie tot oprichting van het Provinciaal Museum van Oudheden (1874).

Acker Stratingh heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek naar de wierden in en de bodemgesteldheid van de provincie Groningen. Ook leverde hij een bijdrage aan de kennis van de ontwikkeling van de landbouw, waterstaat en het dijkwezen in Nederland.

Textsource: https://www.rug.nl/library/collections-locations/special-collections/collections/archives-inventories/ackerstratinghcollectiebeschrijving (9-5-2019)


Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1877
Over Gozewinus Acker Stratingh, door Hendrik Octavius Feith

[p. 27]
Levensschets van Dr. Gozewinus Acker Stratingh.
Toen ik voor omstreeks twee jaren een levensschets gaf van Dr. R. Westerhoff, dacht ik niet, dat ik binnen zoo korten tijd zou worden uitgenoodigd een levensberigt te geven van zijnen akademievriend, Dr. Gozewinus Acker Stratingh, wiens gezondheid toen nog niet eenen spoedigen dood deed vermoeden. Had ik gaarne gezien, dat de vervulling van het verzoek van het bestuur der Maatschappij aan bekwamere handen was toevertrouwd, zoo erken ik tevens, dat het mij aangenaam is eene gelegenheid te hebben om iets te kunnen bijdragen tot lof en nagedachtenis van hem, dien ik, ofschoon vele jaren jonger zijnde, van mijne jeugd af heb gekend en steeds hooggeacht. Eene eenvoudige mededeeling van hetgeen Stratingh in zijn leven heeft verrigt en is geweest, zal voldoende zijn om zijnen goeden naam ook na zijn overlijden in eere te houden.

In het omstreeks een uur ten noorden van Groningen gelegen dorp, Adorp, werd Gozewinus Acker Stratingh den 25 Maart 1804 geboren. Zijn vader, Everardus Stratingh, gehuwd met mejuffer Margien Cleveringa, was daar predikant. De zorg voor de opvoeding van dezen hunnen zoon

[p. 28]
nam reeds, van zijn derde jaar af op zich zijn oom Sibrandus E. Stratingh hoogleeraar in de geneeskunde aan de akademie te Groningen. Onder de leiding van dezen geleerde, bij wien hij in huis als kind werd opgenomen en verzorgd, bezocht de ijverige jongeling de scholen. Door dien bekwamen leidsman werd bij hem, reeds vroeg, niet alleen de lust tot studie opgewekt, maar ook hem aangewezen de weg om daarin goed te slagen. Dat zulks met veel vrucht en een goed gevolg geschiedde, moge reeds daaruit blijken, dat de jongeling op zestienjarigen leeftijd, in 1820, als student bij de hoogeschool werd ingeschreven. Ofschoon nu de geneeskunde het vak was, waarin hij wenschte doctor te worden, en dit dus zijn hoofdstudie moest zijn en ook inderdaad was, zoo waren desniettemin de wis- en natuurkundige wetenschappen en later de geschiedenis en oudheidkunde, evenals bij zijnen akademievriend Westerhoff, zijne meeste geliefkoosde vakken van studie. Stratingh maakte een vlijtig gebruik van den tijd hem aan de akademie geschonken tot vermeerdering van kennis en wetenschap. Hij werd gerekend onder de ijverigste en uitstekendste studenten van zijnen tijd. Tweemaal, en telkens niet zonder vrucht, dong hij naar den eerepalm in den door de wis- en natuurkundige faculteit aan de akademie te Groningen uitgeschreven wedstrijd.

Op de in 1822 uitgeschreven vraag, 'cum plurimi agricultores seminum aliorum fundorum permutationem probent, quaeritur an haec permutatio re vera sit utilis et necessaria et quibusdam tunc nitatur naturae legibus', werden de door Westerhoff en Stratingh ingezonden antwoorden de bekrooning waardig gekeurd. Het lot wees de gouden medaille aan Westerhoff toe: Stratingh ontving een accessit. Andermaal vond de bekwame en vlijtige student tijd een antwoord aan te bieden op de door dezelfde faculteit in 1824 uitgeschreven prijsvraag, 'an experimenta Daltoni, quae ad aquae evaporationem spectant, nullam

[p. 29]
admittere possint combinationem chemicam aquam inter et a si illa combinatio locum non habeat, qua ratione atmospherae siccitas et humiditas et universum Meteora aquosa ex Daltoni theoria possint explicari'. Van de hierop ingekomene drie antwoorden werd dat van Stratingh met goud bekroond. Zonder de beoefening van zijn hoofdvak, de geneeskunde, uit het oog te verliezen, bleef hij aanhoudend geologie en natuurlijke historie in verband met geschiedenis en oudheidkunde beoefenen. Nog student zijnde verkreeg hij met Westerhoff den door de commissie van onderwijs in de provincie Groningen uitgeloofden eereprijs op de door hen vervaardigde 'natuurlijke historie der provincie Groningen' als antwoord op het door die commissie verzochte 'leesboek over de natuurlijke historie van de provincie Groningen'. Gelijk reeds in de levensschets van Dr. R. Westerhoff is vermeld, kwam het eerste stuk van dit voor de geologische en natuurkundige kennis van den bodem onzer provincie zoo uitstekend aangelegd en bewerkt boek eerst in 1839 in het licht, door de zorg van Dr. Stratingh, van wiens hand er een voorrede en eenige bijvoegselen en verbeteringen aan zijn toegevoegd. De groote kennis van beide schrijvers, door veel nasporing en naauwgezet onderzoek op zulk een betrekkelijk jeugdigen leeftijd reeds verkregen, is zigtbaar in dit werk, hetwelk, 't geen zeer is te betreuren, nimmer werd vervolgd. Natuurkunde, natuurlijke geschiedenis en geologie waren de vakken, waarmede Stratingh zich op zeer jeugdigen leeftijd het liefst bezig hield. Naauwelijks 17 jaren oud word hij reeds lid van het Natuurkundig genootschap te Groningen, een genootschap voor wiens bloei hij tot aan zijnen dood en alzoo gedurende 55 jaren een warm hart droeg.

Vele en hoogst belangrijke voorlezingen meestal over den vroegeren en tegenwoordigen bodem, en over den voormaligen toestand onzer provincie werden daar door

[p. 30]
hem gehouden, zoodat hij dan ook te regt onder de meest gezochte sprekers werd gehouden.

Na dezen zoo uitnemend volbragten akademietijd verkreeg Stratingh met grooten lof den doctortitel in de geneeskunde den 23 April 1828, toen hij openlijk verdedigde een proefschrift 'de chinchonino, chinino eorumque salibus, imprimis sulphate chinini, Pharmaceutica ac Therapeutica ratione consideratis.'

Groningen, waar hij van der jeugd af had verkeerd, was de plaats, waar hij zich als doctor vestigde. Kort daarna, reeds in 1829, trad hij in het huwelijk met Mej. Katharina Johanna Pelinck, dochter van den heer J. Pelinck predikant te Scheemda. In zijn voornemen om nu met ijver zich op de praktijk toe te leggen en tevens zijne geliefkoosde studien niet te verlaten, werd hij al spoedig teleurgesteld. De algemeene wapening in 1830 verpligtte ook hem een tijdlang praktijk en studien ter zijde te stellen. Als officier van gezondheid aangesteld bij het eerste bataillon Groninger schutterij maakte hij mede den Belgischen veldtogt en diende alzoo het vaderland tot aan 1831, toen hem op zijn verzoek een eervol ontslag werd verleend. Met naauwgezetheid werd nu niet alleen weder de praktijk door hem opgevat, maar ook met vernieuwden ijver begaf hij zich weder, in de door de praktijk niet ingenomen uren, tot beoefening dier wetenschappen, die hij zich vroeger reeds met zulk een uitnemend gevolg had trachten eigen te maken. De meer en meer zich bij hem ontwikkelende lust tot het verkrijgen van eene zooveel mogelijk naauwkeurige kennis van den voormaligen toestand van ons vaderland, meer in het bijzonder van onze provincie en van onze stad, deed hoe langs zoo meer zijne studien de rigting nemen tot de geschiedenis en oudheidkunde. De vele nu en in zijn verderen leeftijd door hem uitgegevene werken, zijn wel de beste getuigen van zijn vlijt en van de onderwerpen zijner studien. Onder de wer-

[p. 31]
ken, die op de bij deze levensschets gevoegde, zoo volledig mogelijke lijst, zijn opgeteekend, verdienen hier eenigen wel eene bijzondere vermelding. Zoo zal dan wel in de eerste plaats mogen worden herinnerd, dat tot bevordering der kennis van den vroegeren toestand van ons land en van die der ontwikkeling van landbouw, waterstaat en dijkwezen, uitstekend door hem is bewerkt het boek 'Aloude staat en geschiedenis des vaderlands' in drie deelen te Groningen in 1847 tot 1852 uitgekomen. In dit boek toch, waarvan de vervaardiging naar aanleiding van het bekende maar toen uitverkochte werk van 'E.M. Engelberts, de aloude staat en geschiedenissen der Vereenigde Nederlanden' door hem is opgevat, heeft de schrijver, gelijk hij in de voorrede te kennen geeft, 'zooveel doenlijk den oorspronkelijken toestand van ons land en volk beide' geschetst, 'doch in vergelijkend verband tevens met hunnen lateren en tegenwoordigen toestand. Zoo ingerigt zal dit werk strekken, niet slechts om te dien aanzien een blik in den voortijd te slaan, maar ook om den opmerkelijken gang der ontwikkeling, den band tusschen het voorledene en bestaande te kunnen nagaan, ja zelfs om met de uitkomst hierdoor verkregen, mede een blik in de toekomst te kunnen werpen.' Dit doel heeft de schrijver bereikt. De vele gunstige oordeelvellingen over het werk bevestigen dit.

Niet onwaarschijnlijk ook is het, dat in dit boek de wis- en natuurkundige faculteit aan de akademie te Groningen, hoofdzakelijk aanleiding heeft gevonden, den schrijver bij het feest der inwijding van het akademiegebouw in 1850, honoris causa te bevorderen tot Matheseos magister et philosophiae naturalis doctor. Deze onderscheiding werd te regt gegeven aan hem, die zoo herhaaldelijk had getoond meer dan gewone kennis in dit deel der wetenschap te bezitten. Niet minder getuigt van Stratinghs kennis op het gebied van geologie en natuurkunde van ons gewest,

[p. 32]
zijn met Dr. G.A. Venema in 1859 uitgegeven werk: De Dollard of geschied- en aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen bodem der Eems. 'Een gedenkboek,' aldus geven de schrijvers het doel van hun werk op(1) 'zamen te stellen, waarin in de eerste plaats wij ons en onze nazaten zich nog, als er eenmaal geen Dollard meer bestaat, in die tijden zouden kunnen verplaatsen, toen hij ontstond en weder verdween, hoe beurtelings land in water en water in land werd herschapen: maar wij wenschten in de tweede plaats ook dat water en land zelve, zoo als beide nu bestaan, in eenige bijzonderheden te doen kennen, zoodat de beschrijving daarvan niet slechts dienstig mogt geacht worden te zijn voor den bewoner dier streek of voor hen, welke meer onmiddellijk belang daarbij hebben of daarin stellen, maar ook meer algemeen voor de kennis van onzen vaderlandschen bodem en de veranderingen, welke deze heeft ondergaan en nog ondergaat, als waarvan de Dollardbodem zulk een merkwaardig voorbeeld oplevert.'

Voegt men nu bij deze werken, waarin zulk een schat van geologische en natuurkundige kennis van onze provincie is neergelegd, de ook in het levensberigt van Dr. Westerhoff reeds vermelde verhandeling over de eerste bedijking van ons vaderland, door Stratingh gemaakt tot wederlegging van eene daarover met hem strijdende meening van Westerhoff(2), en zoovele kleinere geschriften over dergelijke onderwerpen, dan zal men zonder twijfel toestemmen dat juist is dit oordeel over Stratingh uitgesproken: iemand onze stad en provincie in haar heden en verleden heeft gekend en zijne kennis tot gemeen goed van allen heeft gemaakt, dan was hij het. Die kennis ging

1: Voorrede bl. 6.
2: Dr. J. Westerhoff. Twee hoofdstukken uit de geschiedenis van het dijkwezen. Groningen, 1865.

[p. 33]
gepaard met geheele toewijding aan de belangen van de plaats zijner inwoning(1). Met waarheid kan men zeggen, dat Stratingh zich gedurende zijn leven aanhoudend met de studie heeft bezig gehouden. Gretig werd telkens door hem aangevat iedere gelegenheid, die hem werd aangeboden tot bevordering van zijne studie en tot vermeerdering van zijn kennis. Zoo werd in 1849 aan hem door eenige in de wetenschap gunstig bekend staande mannen de redactie opgedragen van een wetenschappelijk tijdschrift, te Groningen uitgegeven onder den naam 'Gruno'. Reeds eene oppervlakkige inzage van dit tijdschrift doet zien, dat Stratingh die taak ernstig opnam. Vele beoordeelingen en aankondigingen van nieuw uitgekomen boeken zijn van zijn hand. Maar bijzonder verdient hier vermelding zijne daarin voorkomende verhandeling over oorsprong van de munt en het wapen der stad Groningen.' In deze verhandeling behandelde de schrijver op zijne grondige en naauwkeurige wijze eene der belangrijkste vraagstukken in de geschiedenis van Groningen, te weten, dat over den vroegeren staats regterlijken toestand dezer stad, en zulks naar aanleiding van het in villa Groninga' in het jaar 1040 door den Duitschen rijksvorst Hendrik III aan de domkerk te Utrecht geschonken, waardoor volgens veler meening de bisschoppen van het Sticht de opperheerschappij mede over de stad Groningen zouden hebben bekomen.

Toen Stratingh, Mr. Boeles en ik in 1864 het plan vormden een tijdschrift uit te geven, 'om deels door grondige monographien vooral over nog duistere of twijfelachtige onderwerpen in de geschied- en oudheidkunde, deels door de verzameling van hiervoor belangrijke vooral onuitgegevene bescheiden, bevorderlijk te zijn aan die wetenschappen, in de eerste plaats voor ons gewest', was het Stratingh vooral, die de uitvoering bevorderde en door zijne

1: Gron. Courant, 24 October 1876.

[p. 34]
bijdragen een krachtige steun daaraan gaf. Het tiental deelen dezer 'Bijdragen' bevatten vele en hoogst belangrijke verhandelingen en kleine stukken van zijne bekwame pen, die, de resultaten van veel studie en naauwgezet onderzoek, op nieuw een bewijs leveren van zijn groote kennis der geschiedenis en oudheid van ons gewest.

Eindelijk nam hij nog, op zijn vergevorderden leeftijd, volvaardig aan de opdragt hem door Gedeputeerde Staten van Groningen in 1874 aangeboden om deel uit te maken van de commissie tot oprigting, regeling enz. van een provinciaal museum van oudheden. Zijne voorlichting zoowel als zijne hulp zal door ons zijne medecommissarissen steeds dankbaar worden erkend en bij ons in levendige herinnering blijven.

Uit dit alles is het duidelijk, dat Stratingh steeds meer en meer aangetrokken werd tot deze studien dan tot de uitoefening van de praktijk als geneesheer, en zoo is het ligt te beseffen, dat hij daardoor steeds minder werk maakte van laatstgemelde. Hij verliet dan ook in de laatste jaren van zijn leven geheel en al de praktijk.

Stratingh genoot door zijne geleerdheid en in het bijzonder door zijn beminnelijk, zachtmoedig, vriendelijk voorkomen en omgang de achting en het vertrouwen van zijn stadgenooten, waarvan hij vele blijken ondervond.

Op kerkelijk gebied was hij werkzaam als ouderling bij de Hervormde gemeente, en gedurende een groot aantal jaren behartigde hij de stoffelijke belangen dier gemeente als lid van het college van kerkvoogden. Maar ook aan het maatschappelijk leven nam hij deel in eenige betrekkingen. Vele jaren was hij een ijverig lid der plaatselijke schoolcommissie, in welke commissie zijne geneeskundige kennis vooral hem de juiste plaats aanwees, telkens wanneer er sprake was van hygienische onderwerpen. Zoo ook was hij eenige jaren lid van het geneeskundig staatstoezigt voor de provincien Groningen en Friesland.

[p. 35]
Toen de landhuishoudkundige school te Haren in 1842 werd opgerigt, viel al dadelijk de keuze op hem, die wel bereid zou worden gevonden om in eenige vakken aan die school onderwijs te geven. Volgaarne nam hij die taak toen op zich; hij bleef haar met naauwgezetheid en ijver volvoeren tot aan het jaar 1865. Bij de zamenstelling der commissie voor de statistieke beschrijving der provincie Groningen in 1854 werd hij tot lid dier commissie benoemd en meer bepaald werd hem in onderscheidene afdeelingen daarvan eene plaats aangewezen. Door hem en mij werd geleverd de 'Aardrijks- en geschiedkundige schets van den toestand der provincie', die als inleiding of opening der 'Bijdragen' door de commissie werd verlangd.

Op letterkundig terrein werd Stratingh gelijk wel te verwachten was, zeer gunstig ontvangen; zijne werken werden door velen op prijs gesteld. De vele benoemingen tot lid van letterkundige genootschappen zijn daarvan de bewijzen. Reeds in 1830 werd hij honorair lid en later medebestuurder van het te Groningen gevestigde Natuurkundig Genootschap. Achtereenvolgens werd hem verder aangeboden het lidmaatschap der genootschappen van Utrecht, Leiden, Friesland en Emden, en dat der Koninklijke Akademie van wetenschappen. In de werken der Akademie treft men eene zeer belangrijke en grondig bewerkte verhandeling van hem aan, waar hij in het onderzoek is getreden 'of er in Friesland, namelijk in oud-Friesland, al dan niet marken zijn of waren te vinden.'

Zoo werd de naam van Stratingh, die reeds zoo gunstig in de geleerde wereld bekend was, door Gozewinus Acker niet alleen uitmuntend gehandhaafd, maar werd daaraan zonder twijfel nog meerder luister aangebragt.

In den huiselijken kring verkeerde Stratingh veel; hij vond daar veel tot veraangenaming van zijn leven, waartoe zijn echtgenoot, eene dochter en twee zonen het hunne

[p. 36]
deden. Doch ook hij moest op smartelijke wijze ondervinden, dat niet altijd voorspoed der menschen lot is op deze wereld. Op eenen volwassen leeftijd werd aan de ouders door den dood ontrukt hunne eenige en veel ontwikkelde dochter.

Stratingh genoot steeds eene goede gezondheid. Eerst weinige maanden voor zijn overlijden had hij te strijden met eene ingewandsziekte, maar ook nog in die dagen was studie bij voortduring, zoodra zijne ziekte zulks maar toeliet, zijn toevlugt en geliefkoosde bezigheid.

Na een zoo geheel aan studie toegewijd leven, ontsliep de geleerde kalm en zacht den 22 October 1876, in den ouderdom van 72 1/2 jaren. Zijne begrafenis werd bijgewoond door vele van zijn vrienden, terwijl het bestuur van het Natuurkundig Genootschap, waarvan hij bijna vijftig jaren lid was geweest, zich door eenige zijner leden liet vertegenwoordigen.

Zijn naam zal steeds met lof en erkentelijkheid worden vermeld in de geschiedenis van Groningen, tot bevordering van wier kennis hij zoovele uitstekende bijdragen heeft geleverd.

Groningen.
H.O. Feith.

p. 37]
Werken van Dr. G. Acker Stratingh.

Commentatio, an experimenta Daltoni, quae ad aquae evaporationem spectant, nullam admittere possint combinationem chemicam aquam inter et a si illa combinatio locum non habeat, quae ratione atmospherae siccitas et humiditas et universum meteora aquosa ex Daltoni theoria possint explicari. Groningae 1824.

Diss. de chinchonino, chinino eorumque salibus, imprimis sulphate chinini pharmaceutica ac therapeutica ratione consideratis. Groningae 1828.

Natuurlijke historie der provincie Groningen, door Dr. R. Westerhoff en Dr. G. Acker Stratingh. dl. 1 Gron. 1839.

Dr. G. Acker Stratingh. De bodem en de wateren van Nederland. Groningen 1847.

Dr. G. Acker Stratingh. Aloude staat en geschiedenis des vaderlands. 3 dln. Gron. 1847-1852.

Dr. G. Acker Stratingh. Over den oorsprong van de munt en het wapen der stad Groningen. - bl. 105 van het tijdschrift Gruno, Gron. 1849.

Dr. G. Acker Stratingh en G.A. Venema. De Dollard of geschied-, aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems. Gron. 1855.

Dr. E.J.F. Meijer. Reize om de aarde, vertaald door Dr. G. Acker Stratingh. 2 dln. Gron. 1857.

[p. 38]
Dr. G. Acker Stratingh. Marken in Friesland, in deel 9 bl. 49 der Verslagen en Mededeelingen der koninklijke Akademie van wetenschappen, Afd. Letterkunde.

Mr. H.O. Feith en Dr. G. Acker Stratingh. Aardrijks- en geschiedkundige schets van den toestand der Provincie Groningen, in deal 1 der Bijdragen voor de provincie Groningen.

Kronijken van Emo en Menko met het vervolg, op nieuw naar de handschriften uitgegeven en met de bestaande uitgaven vergeleken door Mr. H.O. Feith en Dr. G. Acker Stratingh. Utrecht 1866. (Werken van het Hist. Gen. te Utrecht, nieuwe serie no. 4).

Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde inzonderheid van de Provincie Groningen, onder redactie van Dr. G. Acker Stratingh, Mr. H.O. Feith en Mr. W.B.S. Boeles. Groningen 1864-1873, 10 dln., waarin de volgende verhandelingen en stukjes van de hand van Dr. G. Acker Stratingh voorkomen.

Deel I.
Over de Friesche, vooral Ommelander edelen en Hoofdlingen.
Overblijfsels van oude grachten buiten de voormalige A- en Poelepoort.
Over Tienden in de Friesche landen, tusschen Flie en Wezer, inzonderheid in de Ommelanden.

Deel II.
Over de afkomst en de jeugd van Rudolphus Agricola Kortinghuis en het kasteel te Selwerd.
Bijdragen tot het Groninger taaleigen I en II.
De Eems, vooral de beneden Eems, als handel- en grensstroom beschouwd.
Het oude gebouw van Minerva, vroeger het Vrouw Claren convent enz. in verband met het Armen-convent en andere gestichten en bijzonderheden betreffende de Jatstraat te Groningen.

Deel III.
Vrije of goede wijnen.
Nog iets over de Eems, als grensstroom.
Het geschil over de regten van tol en stapel te Emden, tusschen deze stad en de stad Groningen.
Twee hoofdstukken uit de geschiedenis van ons dijkwezen herzien.

Deel IV.
Bijdragen tot de kennis van het Groninger taaleigen.

[p. 39]
De villa Groninga, in oude bescheiden, bepaaldelijk de kronijken van Wierum, de stad niet het huis Groningen.
Laecken tot kledinge (der stadsdienaren), dat ene jaer roet, dat ander jaer sangen.
De Precarie of bede, beschouwd als eene wereldlijke schatting, door Groningen zoowel als het Goregt en Drenthe aan den bisschop van Utrecht op te brengen.

Deel V.
Groningen eene oud Drenthsche plaats.
Bijdragen tot de kennis van het Groninger taaleigen.
Staat van de personen en hunne jaarlijksche opbrengst van goederen, die zij van het domkapittel te Utrecht in het graafschap Drenthe hielden, uit het begin der 13de eeuw.
De inkomsten der stad Groningen van het Goregt in 1563-1564, met aanteekeningen.
Bijdragen tot de kennis van het Groninger taaleigen.
Menu van een gildemaaltijd, 1740 en 1741.

Deel VI.
Het oude Selwerder hof, vermoedelijk ook het hof der Prefecten te Groningen.
Appingadam, de oude hoofdplaats van Fivelingo.
Onderzoek naar het eiland, over welks bezit twist en strijd is gevoerd in Groningerland, in de 13de eeuw.
Eenige bijzonderheden betreffende de kremer of koopman en kramergilde te Groningen.
Verklaring van plaatsnamen, als ontleend aan 's menschen hoofd.
De tienden in Drenthe, 't Goregt en Groningen.
Bijdragen tot die kennis van het Groninger taaleigen.

Deel VII.
De oude Groninger adel.
De bond der Friesche Zeelanden.
Het Ommelander wapen.
Over het eerste ontstaan van den Dollard.
De voormalige hofstede de Wijert onder Helpen.
Getuigenis van Abel Eppens omtrent den Opstalsboom.

Deel VIII.
Over den ouden adel in Holland, vooral ten betooge, dat de zoogenaamde welgeborenen daartoe behoorden.
Vermoedelijke stichtingsbrief van het klerkenhuis te Groningen.

[p. 40]
Lieuwerderwolde.
Appingadam als stad beschouwd.
De stad Groningen in haren oorsprong en ouden toestand beschouwd.
Overweging der aanmerkingen van Jhr. Mr. M. de Haan Hettema, op de bijdrage 'de bond der Friesche Zeelanden.'
De Maren beschouwd als oude grensscheidingen der marken in de oud-Friesche streken der provincie Groningen.

Deel IX.
Woordverklaring van Terp.
Prijzen van levensbehoeften voor ongeveer drie eeuwen te Groningen.
De vroeger zoogenaamde acht zijlvesten, beschouwd als het Scharmer zijlvest en in verband met den ouden waterstaat van het aangrenzende Goregt en gebied van Groningen.

Deel X.
Woordverklaring van Wierd.
Het wapen der provincie Groningen in verband ook met die van hare onderdeelen.
Historisch overzigt van de ziekenhuizen, vooral voor armen te Groningen.
Bevestiging van wege den Paus van een door den magistraat aangestelde Provisor in het Heilige Geesthuis te Groningen in 14[.]5.
Het Nijdinge goed te Groningen, nog een leen in 1603.
Nog een woord over het eerste ontstaan van den Dollard.
Woordverklaring van Wier.
Nog een brief betreftende de Wijert onder Helpen, van 1524.
Over het voormalig regt: de non evocando, in Drenthe en Groningen.
Woordverklaring van Warf en andere meer zeldzame namen der Terpen.
Mepschenhof en de oude A, bij Groningen in 1592.

Stratingh's bijdragen in de Gron. Volksalmanak zijn de volgende:

Jaargang 1838.
Het huis of hof Groningen thans het militair landsziekenhuis.
Jaargang 1839.
Over de uitoefening van de oppermagt, vooral ten aanzien der regtspleging in de stad Groningen in oude tijden.
Het aloude raad- en regthuis thans de hoofdwacht te Groningen.
Jaargang 1840.
Het oude raad- en wijnhuis te Groningen.
Het kasteel Selwerd.
Jaargang 1841.
Het nieuwe raad- of stadhuis te Groningen.
[p. 41]
Jaargang 1842.
Over den ouden loop der A, te Groningen.
Jaargang 1843.
De voormalige St. Walburgskerk.
Jaargang 1844.
Over den ouden loop der A.
Over den ouden loop der Hunse.
De Martinikerk en toren.
Jaargang 1845.
De Martinikerk en toren.
Jaargang 1846.
De A-kerk en toren.
Wigbolt van Ewssum en Bartholt Entens.
Jaargang 1847.
De Nieuwe of Noorderkerk te Groningen.
Jaargang 1850.
Iets over de grondgesteldheid bij Woltersum enz.
Jaargang 1851.
Valgen
Selwerder munt.

Eindelijk worden hier nog herinnerd eenige beoordeelingen en aankondigingen van werken in de tijdschriften, zooals de Letterbode, Gruno enz. enz.

Text Source: https://www.dbnl.org/tekst/_jaa002187701_01/_jaa002187701_01_0014.php (9-5-2019)

Teksten van en over hem op de DBNL: https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=stra028 
Stratingh, Gozewinus Acker (I2439)
 
488 William H. Littler and wife have sold to Klaas Mulder 10 acres of land in the township of Kalamazoo for $1500. Mulder, Klaas (I708)
 
489 WSU1941HU0005 Gezin: Jan Senneker / Hendriktje de Graaf (F920)
 
490 Ze wonen hier in 1929 ook al volgens het passenger manifest van de overtocht van broer Klaas in 1929. Mulder, Jannes Roelf (I1366)
 
491 Zoons: Hindrik (19), Klaas (3)
Dochters: Aaltje (17), Hindrikje (12), Hillechje (7), Tryntje (<1) 
Wieringa, Roelf Hindriks (I1550)
 

      «Vorige «1 ... 6 7 8 9 10


Deze site werd aangemaakt door The Next Generation of Genealogy Sitebuilding v. 15.0.3, geschreven door Darrin Lythgoe © 2001-2026.

Gegevens onderhouden door Erik.