De meerderheid van mijn voorouders waren honkvaste lui die niet ver van hun geboortegrond gingen. En als ze dat al deden was het hooguit de provinciegrens over. Toch zijn er hier en daar een paar avonturiers die besloten alles achter te laten en het aan de andere kant van de oceaan te proberen. Hier volgen we Jan Mulder en Jantje Diephuis die met hun gezin in 1881 het ruime sop kiezen.
Jan Hindriks Mulder is de jongere broer van mijn over-overgrootvader. Hij wordt geboren op 7 februari 1825 in Noorddijk, Groningen, in ‘de behuizinge geteekend met letter B, Nommer negentwintig’.
Het gezin is niet welvarend. Vader is arbeider, moeder zonder beroep. Jan gaat waarschijnlijk niet naar school, zijn huwelijksakte vermeld ‘verklarende de Bruidegom niet te kunnen teekenen als hebbende geen schrijven geleerd’. Jan volgt dan ook in de voetstappen van zijn vader en gaat werken als dagloner. Uiteindelijk komt hij in Mensingeweer terecht.
Ergens in die tijd ontmoet hij Jantje Diephuis, geboren 18 juni 1836 in Eenrum en daar ook werkzaam als dienstmeid. Ze is ruim elf jaar jonger dan hij, maar dat maakt hen niet uit. Liefde is sterker dan leeftijd. Ze trouwen op 23 mei 1857, Jan is dan 32, Jantje bijna 21.
Jantje trekt bij Jan in, te Mensingeweer, en negen maanden later, op 28 februari 1858, wordt hun eerste kind geboren: Aaltje. Er volgen meer kinderen. Zoon Germt in maart 1861, dan dochter Alstje in september 1863 en zoon Klaas in maart 1866.
Dan slaat het noodlot toe. Alstje sterft, net geen vijf jaar oud. Enige maanden later blijkt Jantje weer zwanger en Alstje de tweede komt ter wereld in 1869, bijna precies een jaar na het overlijden van haar naamgenoot. Een paar jaar later, in 1875 sterft ook oudste dochter Aaltje, ruim een maand voor haar 17e verjaardag. Later dat jaar raakt Jantje nog een laatste keer zwanger en in maart 1876 wordt Hendrik geboren.
In die tijd was het voor dagloners niet makkelijk. Het boerenbestaan in het noorden bestond voornamelijk uit boeren met grote boerderijen en veel arbeiders in dienst. Het grootste deel van wat er verbouwd werd was bestemd voor de export. Echter, sinds het midden van de 19e eeuw was er sprake van groeiende concurrentie op de internationale markt. Vooral van de grote boerenbedrijven in Noord-Amerika. De vruchtbare grond daar maakt het makkelijk om goedkoper graan te verbouwen. Dit zorgde ervoor dat boeren hier in het noorden kosten moesten besparen. Arbeiders werden vervangen door machines waar mogelijk en veel dagloners kwamen zonder werk te zitten. Qua industrie was er hier nog niet zoveel te doen, waardoor er weinig opties waren om je brood te verdienen. Emigreren was dan ook aan de orde van de dag in deze jaren. Vooral naar de VS.
Jan en Jantje redden het nog aardig, maar uiteindelijk kiezen zij ook voor emigratie. Veel mensen hadden al familie aan de andere kant van de oceaan zitten in die tijd. Voor Jan en Jantje lijkt dit niet het geval. In ieder geval geen directe familie. Maar wellicht wel vrienden, of mensen van de kerk.
De knoop is doorgehakt, er zal geëmigreerd worden. In April 1881 vertrekt het gezin naar de Verenigde staten. Jan wordt vermeld op de Staat van Landverhuizers van dat jaar. Hij vertrekt met zijn vrouw en 3 kinderen. Zoon Germt is inmiddels 21 dus wordt als volwassene apart geregistreerd. Jan, inmiddels 56, is nog steeds dagloner. Germt daarentegen is schippersknecht.
Germt gaat met het stoomschip Stella van de KNSM. Hij is, samen met 662 anderen, terug te vinden op het passenger manifest, de lijst met alle passagiers die de kapitein bij aankomst aan de havenmeester moet overhandigen.
De Stella is een driedeks stoomschip, gebouwd in 1871 door de Koninklijke Fabriek van Stoom- en Andere Werktuigen. Ze is ruim 77 meter lang en vervoerde vracht en passagiers. Maar heel comfortabel zal het niet geweest zijn. De kapitein in 1881 was W.C. ten Harmsen. Hij ondertekent het manifest dat hij op 11 april 1881 bij aankomst in New York overhandigt.
Er zijn aanvullende Mulders op dit manifest te vinden. Alleen komen de details niet voldoende overeen om te kunnen zeggen dat dit Jan en de rest van het gezin is. Dus wellicht gingen zij met de Stella en is dit verkeerd geregistreerd. Maar het kan ook zijn dat ze op een later moment erachteraan kwamen met een ander schip. Dit laatste lijkt waarschijnlijker, gebaseerd op een interview met dochter Alstje. In 1935 geeft zij in een kort interview vanwege haar 50-jarige huwelijk aan dat ze in oktober 1881 in de VS aankwamen.
In die tijd was aankomst in New York aan de waterkant van Battery Park. Waarna je via het Castle Garden verwerkingscentrum de VS binnen kwam. Na dagen op zee stond de familie zo ineens weer op vaste wal. Wellicht nog wat wankel op de voeten volgen ze het pad vanaf de waterkant, om het complex heen, naar de ingang.
Binnen is het een drukte van belang, een gekrioel aan mensen en spullen. Het eerste wat nu moet gebeuren is geregistreerd worden. Vervolgens gaan ze door naar de Booker. Hier geeft het gezin aan naar Michigan te willen gaan. De Booker berekent hoeveel dat gaat kosten voor hun allemaal en noteert dit op een bon. Met deze bon kunnen ze dan bij de kaartjesbalie de daadwerkelijke vervoersbewijzen kopen. De reis kon per trein, per boot of met beide zijn.
Hoe het gezin Mulder precies in Michigan aankwam is onbekend. Hun eindpunt was echter Kalamazoo een stadje in Kalamazoo County aan de westkant van Michigan. Je bent, vanaf New York, in twee dagen in Kalamazoo met de trein dus waarschijnlijk was dat ook hun manier van reizen.
West Michigan, en Chicago aan de andere kant van het grote Lake Michigan, waren de hotspots qua Nederlanders. Geen wonder dan ook dat het gezin Mulder voor Kalamazoo kiest. Ze vestigen zich aan de noordkant van Kalamazoo City. Hun gekozen plek, North Pitcher Street, ligt net buiten de stadsgrenzen, in Kalamazoo Township. Dit specifiek is de plek waar Groningers zich vestigen. Jan en Jantje zullen er dan ook zeker bekenden getroffen hebben.
Het is een dorps geheel. De straat is een zandweg, met aan alle kanten percelen land waarop de Groningers niet alleen wonen maar ook hun boerenbedrijven hebben. Het geheel wordt aan de oostkant afgebakend door spoorweg en, een stuk daarachter, Kalamazoo River.
De grond ten noorden van de stad bestaat uit wetlands die, in de loop der eeuwen, gedraineerd zijn. De resulterende grond wordt aangeduid als muck. Laat deze grond nou aardig vergelijkbaar zijn met de grond in het noorden van Nederland. Waardoor de gemigreerde Groningers prima wisten hoe ze met deze grond om moesten gaan. Zo ook het gezin Mulder, ze gaan selderij verbouwen.
In die tijd was dit het hoofdproduct wat in Kalamazoo County verbouwd werd. Omdat de grond hier zo geschikt voor was kon je het dan ook twee keer per jaar oogsten: in juli en oktober. De selderij uit Kalamazoo werd getransporteerd en verhandeld door de hele VS.
Ondanks de ervaring was het geen makkelijk werk. De grond was zompig. De boeren en arbeiders waren hun Nederlandse klompen hard nodig. En ook de paarden moesten wijde houten schoenen om niet weg te zakken bij het ploegen.
Op deze oude kaart van Kalamazoo uit 1890 zien we de percelen, rondom North Pitcher Street, waarop Jan en zijn zoons Germt en Klaas hun selderij verbouwen. Germt boert op 10 acre, Klaas en Jan zelf op 5. Een acre is gelijk aan ongeveer 4,4 are.
Dochter Alstje is in 1886 getrouwd met Jan Werkman. Ook een immigrant uit Groningen, geboren in Uithuizermeeden. Zij wonen elders.
Jongste zoon Hendrik is 14 en woont nog thuis. Hij gaat naar school, en helpt op de boerderij. Dat doet hem realiseren dat selderij groeien allemaal goed en wel is, maar niet iets wat hij wil doen.
In 1900 zien we in de volkstelling (census) Dat Jan en Jantje hun huis in eigendom hebben. Meer info geeft die census niet, maar die van 1910 vermeldt dat het huis ook hypotheekvrij is. Een teken hoe succesvol de selderij is.
Beiden kunnen inmiddels lezen en schrijven maar Engels spreken, dat kunnen ze niet. Gelukkig voor hen is dat ook niet echt nodig. De hele buurt bestaat uit Nederlanders en het grootste deel van het dagelijks leven wordt in het Nederlands gedaan, inclusief de kerkdiensten.
Op papierwerk, zoals de volkstellingen, en in het leven buiten de directe gemeenschap van de Nederlanders heeft het hele gezin natuurlijk wel verengelste namen. Jan en Jantje staan als John en Jennie bekend. Germt wordt Garrett, Hendrik wordt Henry. Alstje wordt in het begin nog wel Alice, maar uiteindelijk kiest ze voor Alta en noemt ook een van haar dochters zo. Klaas is de enige die eigenlijk zijn eigen naam houdt. Hoewel het qua spelling nog wel eens vernaggeld wordt.
Alle kinderen Mulder zijn getrouwd met iemand die, net als zij zelf, in Nederland geboren is, en zijn inmiddels de deur uit. Zij spreken allemaal wel Engels. Alstje en Jan (John Workman) wonen met hun twee nog levende kinderen naast Jan en Jantje. Zo kan Alstje hen een beetje in de gaten houden. Vader is immers al 75, en moeder 64. John is werkzaam als boerenarbeider, waarschijnlijk bij Jan op de boerderij.
Germt woont iets verderop in de straat met zijn gezin: vrouw Martje Wibbens (Martha), geboren in Westeremden, en hun (op dat moment) zes kinderen. Ook hij heeft zijn huis in eigendom. Maar Germt is wel een man met een temperament. In de Kalamazoo Daily Telegraph van 28-09-1899 vinden we dit artikel waarin Germt en wat vrienden een man mishandelen omdat hij 20 bundels selderij van hen steelde. Zowel de dief als het drietal werden voorgeleid.
Drie jaar later, in 1902, heeft Germt opnieuw een conflict. Deze keer omdat zowel hij als iemand anders dezelfde partij met mest wilden kopen. Dit leidde tot een woordenwisseling waarop Germt door de ander met een hooivork op het hoofd werd geslagen.
Klaas, zijn vrouw Clara Goedhals (geboren Klaaske Hekkema in Uithuizermeeden) en hun (op dat moment) drie kinderen zijn op de census van 1900 niet terug te vinden. Echter, gezien hij in 1890 daar wel een perceel in de buurt heeft, en op de census van 1910 ook weer vermeld staat aan dezelfde straat, zal hij zeker in de buurt wonen.
Zoon Hendrik is op dit punt 24 jaar oud en net een klein jaar getrouwd. Hij en zijn vrouw Maria Bezemer (geboren in Dordrecht) zijn vertrokken naar Chicago waar ook een grote groep Nederlanders woont. Een jaar later zal daar hun zoon John Alfred geboren worden. Hendrik en Mary blijven de rest van hun leven in Chicago waar zij een wasserijbedrijf hebben.
In oktober 1909 sterft Jan op 84-jarige leeftijd. Jantje blijft in het huis wonen. Wel verkoopt of verhuurt ze waarschijnlijk het land. Alstje’s man John staat op de census van 1910 namelijk niet meer als boerenarbeider vermeld maar als melkman. Germt en Klaas wonen nog steeds in de buurt met hun gezinnen en boeren nog wel.
In 1919 sterft Jantje zelf, en twee maanden later ook haar zoon Klaas. Zijn vrouw Clara blijft in het huis wonen, met de jongste twee kinderen Jacob en Jennie, Jennie’s man en hun pasgeboren baby. De beide mannen werken elders. Dus ook Clara zal het boerenland verkocht of verhuurd hebben.
Alstje’s man John werkt in de papiermolen en printfabriek. Dat zien we daarna steeds meer. Papiermolens maken de opmars in de jaren 1920 en ’30. Hiervoor worden vele diepe putten geslagen waardoor de grondwaterspiegel daalt en de grond minder geschikt wordt voor het groeien van selderij. Ook ontstaat er in de jaren dertig een gewassenplaag die huishoudt in de selderij. Het wordt lastiger om te concurreren met de selderij die elders in het land wordt verbouwd. Eind jaren dertig is er dan ook nog maar een 1000 acre aan selderijboeren over.
Germt is op dit moment dan nog de enige die selderijboer is. Tot 1921 wanneer ook Germt overlijdt. Martha blijft in het huis wonen, maar zonder boerenbedrijf.
Alstje en John blijven ook, met hun oudste en jongste kind, aan North Pitcher Street wonen. In 1935 vieren zij hun 50-jarige huwelijk en komen daarvoor zelfs in de krant mét een foto.
Kort na de census van 1940 overlijdt Alstje als laatste van de in Kalamazoo wonende kinderen Mulder.
Hendrik, in Chicago, overlijdt in 1949. Wel wordt hij in Kalamazoo begraven, in de buurt van zijn familie